In de psychologie gaat men ervan uit dat veel gedrag is aangeleerd. Ook verslavingsgedrag wordt door menig verslavingsdeskundige gezien als aangeleerd gedrag.

Verslaving als aangeleerd gedrag

In de psychologie gaat men ervan uit dat veel gedrag is aangeleerd. Ook verslavingsgedrag wordt door menig verslavingsdeskundige gezien als aangeleerd gedrag. Er bestaan twee soorten leren. Klassieke conditionering, ofwel reflexmatig leren, en instrumenteel leren, je leert dan: als ik dit doe, dan gebeurt er dat.

Klassieke conditionering is de simpelste vorm van leren. Als baby ontwikkel je zo al reflexen. Een reactie wordt gekoppeld aan een bepaalde gebeurtenis. Zo leert een baby bijvoorbeeld dat als hij een flesje ziet, dat hij dan te drinken krijgt. Als reactie op het zien van het flesje begint hij al met zijn beentjes te trappelen. Een ander aangeleerd gedrag bij een peuter kan zijn dat hij begint te huilen als hij een hond ziet. In een eerdere ontmoeting met een hond schrok hij zo van het harde blaffen dat hij moest huilen. Nu is alleen het zien van een hond al voldoende om in huilen uit te barsten. Het verschijnsel werd voor het eerst benoemd door de Russisch fysioloog Pavlov. In de eerste jaren van de 20e eeuw voerde Pavlov een serie psychologische experimenten met honden uit. Dit leidde tot de ontdekking van de geconditioneerde reflex. Het geven van voedsel liet hij volgen op een blauw licht. Na enige tijd was een blauw licht voldoende om de hond te laten kwijlen.

Deze vorm van leren werd ook al beschreven in 1526 als een methode om kamelen te laten dansen: Een jong dier werd regelmatig op een hete vloer geplaatst terwijl er een tamboerijn rinkelde. Door de  pijn huppelt de kameel van de ene poot op de andere. Na het leerproces is de associatie met de tamboerijn genoeg om de kameel te laten “dansen”. Nu zonder dat de hete ondergrond nog nodig is.

Instrumenteel leren is het omgekeerde van conditionering: Je leert dan dat je met je eigen gedrag een reactie in de omgeving kan uitlokken. Een baby ontdekt bijvoorbeeld op een gegeven moment dat als hij met zijn handje tegen een rammelaar slaat, de rammelaar een geluid maakt. Dat is een prettig effect, wat hij nog wel een keer wil veroorzaken. Dus doet hij het nog een keer.

Instrumenteel leren is het leerproces waarbij een handeling in een bepaalde situatie gevolgd wordt door een beloning of bestraffing. Een beloning vergroot de kans dat dezelfde handeling in de toekomst weer zal optreden. Een bestraffing verkleint de kans. In dierexperimenten is de beloning vaak voedsel of drank, en de bestraffing een elektrisch schokje. Soms spreekt men ook wel van positieve en negatieve bekrachtigers.

Hoe werkt dat nu bij nicotine verslaving? Vanuit het principe van leren zijn er meerdere visies hoe verslaving veroorzaakt wordt door beloning en staf. Het basis idee is dat iemand de bewuste controle op z’n gedrag verliest omdat, zonder dat iemand het zelf beseft, een beloningssysteem het gedrag stuurt in een richting die tegenovergesteld is aan de bewuste voorkeur. Nicotine werkt als de positieve bekrachtiger van roken. Het gedrag, in dit geval het roken, vindt plaats zonder dat er een actieve besluitvorming plaats vindt. Iemand die begint met roken leert al heel gauw: het roken van een sigaret geeft een beloning. Door herhaling wordt de  koppeling tussen de sigaret, het roken zelf en de beloning sterker en sterker. De koppeling breidt zich op den duur uit naar alles wat samenhangt met roken. Dit is voor de meeste rokers de geur, het pakje, maar kan ook de omgeving zijn waar iemand vaak rookt. Hierdoor ontstaan zogenaamde cues, bepaalde prikkels die zin in het roken oproepen. Dit soort cues kunnen zelfs op den duur als een beloning ervaren worden. Een roker geniet ook van de geur, zelfs een irritatie achter in de keel door het roken, dat vooraf gaat aan de werking van nicotine wordt door veel rokers als prettig ervaren.

Nicotine verslaving berust echter niet alleen op de positieve bekrachtiger maar ook op een negatieve bekrachtiger. Positieve bekrachtiger gaat over het zoeken naar belonende stimuli. Negatieve bekrachtiger betreft het vermijden van nare gebeurtenissen. Als het lichaam zich heeft aangepast aan het regelmatige toegediend krijgen van nicotine, geeft een poosje niet roken een onbehagelijk gevoel. Weer roken laat dit onbehagelijk gevoel weer verdwijnen. Ook hierdoor leert de roker dat roken helpt om te ontsnappen van de ontwenningsverschijnselen. Zelfs kan de roker leren ontwenningsverschijnselen te voorkomen door maar vaak genoeg een sigaret op te steken.

Nogmaals het is belangrijk te benadrukken dat in dit leermodel er niet een bewust proces is en er niet een overwogen besluit wordt genomen.

Door hersenonderzoek van de laatste jaren is er steeds meer bekend geworden  hoe beloning werkt. Er wordt nu verondersteld dat de nucleus accumbens het beloningscentrum in de hersenen is. Door de werking van dopamine op de receptoren in deze hersenkern ervaart iemand een prettig gevoel. Verslaving ontstaat door een toename van dopamine onder invloed van gebruik van een bepaald middel. Langdurig middelengebruik verandert ook de werking van het beloningscircuit in de hersenen. Tevens verandert het andere systemen in de hersenen en leidt hierdoor tot ontwenningsverschijnselen en tot het ontstaan van een nieuwe behoefte. De zucht naar het middel.

Er bestaan ook andere visies en verklaringen voor verslaving dan de bovengenoemde. De éne roker zal zich zelf meer herkennen in een bepaalde theorie dan een andere roker. Elke roker is ook anders. Om een succesvol te stoppen helpt om te weten wat voor roker je bent en welke aanpak het best bij je past. Stichting Stopbewust kan helpen bij het kiezen van de juiste aanpak.